Al jarenlang ben ik trouwe gast van het IFFR. Het filmfestival doet iets met de stad, alleen daarom al heeft het mijn sympathie, maar ook de films, hoe hilarisch slecht soms ook, kunnen mij bekoren. Elk jaar weer en ook bij elke film, ongeacht genre en op welke locatie deze wordt vertoond, is het ook afzien.
In tegenstelling tot bezoekers van een commerciële film, die doorgaans wordt voorafgegaan met een etentje of wordt afgesloten met een borreltje elders in de stad - en waarvoor de bezoekers (mannen en vrouwen gelijk) zich dus even leuk optutten voor dit avondje uit, kenmerkt het IFFR zich door bezoekers die minder fris ruiken. Laat ik het ronduit zeggen: de bezoekers stinken.
Hoewel dit zowel voor vrouwen als mannen geldt, zijn de laatsten wel de koplopers in het afgeven van minder frisse lijfgeuren. Het zijn gewoon muffe mannen, veelal met lange (ongewassen) grijze haren, morsige pantalons en dito overjassen.
Het zijn hoogstwaarschijnlijk alleenstaande mannen, die vanaf de vroege morgen tot de vroege nacht, dag na dag, getuige hun knalgele langyard met Tijgerpas, zich laten laven met een rijk palet aan films uit verre vreemde landen.
Dat zo'n muffe man thuis geen vrouw heeft, weet ik zeker. Zij zou immers elke morgen de betreffende man erop wijzen dat hij niet weer diezelfde broek moet aantrekken - of beter nog, ze zou die broek allang geconfiskeerd hebben en in de wasmachine hebben laten verdwijnen. Ze zou de man weigeren in haar bed zo lang hij zijn haren niet wast, ze zou die morsige overjas allang hebben weggegooid en bij plotseling gemis de prangende vraag naar waar de jas is gebleven, hebben ontweken. Zij zou voorkomen dat hij bruine broodjes met kaas meeneemt in een plastic zakje, dat hij in de late avond tijdens een film opent en de nog meer bezwete kaas dan de man zelf nuttigt.
Cultuur snuivende muffe mannen tijdens het IFFR: er zit er altijd wel ėėn op reukafstand van me zodat ik niet alleen cultuur maar nog veel ellende mag snuiven.
Ik woon nu in de buurt van de ‘groene passage’ , een verzameling biologisch, ecologisch verantwoorde winkels, een voor mij totaal onbekend terrein. Ik kom er nu best regelmatig, maar dan bij het AH filiaal dat op hetzelfde rijtje zit. Ik woon sowieso in een supermarkttriangel, op loopminuten afstand kan ik terecht bij twee AH’s (waarvan er een tot tien uur ‘s avonds is geopend op werkdagen!) en een Jumbo. En dan is er dus die ‘groene passage’.
Op dat rijtje groene middenstand zit ook een biologisch, ecologisch verantwoorde horeca-uitbater: Spirit, direct gehuisvest naast Himalaya waar je wierook en allerlei boekwerken over chakra’s kan kopen. Ik ben in beide zaken nog niet naar binnen gegaan.
Wat me wel op valt, als ik er op een drafje langs flaneer, is het ruime aanbod ‘mannen van mijn leeftijd’ dat zich op het terras of binnen bij Spirit en Himalaya laaft aan ecologisch biologische lekker- en/of wijsheden. Ik kan hen gewoon niet missen want – hoewel vroeg donker en ik volslagen nachtblind – de weelderige grijze haardossen, zowel op het hoofd als – vaak nog ruimer bemeten – hangend aan de kin zijn van enorme proporties.
Ze dragen dikgebreide truien en hebben spekzolen onder de schoenen, maar wie aan de hand van mijn beschrijving een beeld van vieve vijftigplussers - mogelijk actieve bergsporters met goed ontwikkelde biceps en kuiten - krijgt, moet ik meteen en resoluut teleurstellen. De mannen met baarden, hangen wat uitgeblust op de FSC houten bankjes en combineren de ‘numi’-thee met sigaretten.
Op de dag dat we de sleutel kregen van ons nieuwe huis, eind november, viel het ons op dat het trappenhuis weliswaar naar ‘oudere woningen’ rook (en dat had ons tijdens de 2 bezichtigingen ook juist zo bekoord) maar dat uitgerekend recht tegenover ons in het trapportaal wel een hele pregnante lucht hing. Iets zurigs, onbestemd en zeker onaangenaam.
De volgende dagen waarop we uiteraard het nieuwe huis frequent bezochten, viel het ons ook nog op dat er nimmer licht brandde in de naburige woning, waardoor onze ongerustheid groeide. Het stonk en er was nooit licht aan. Dat kon immers betekenen dat een hoogbejaarde bewoner in eenzaamheid zijn laatste adem had uitgeblazen.
Als nieuwkomers wil je dan niet meteen alarm slaan. Het kon even goed zo zijn dat een jonge bewoner een jaar lang was gaan backpacken in Nieuw Zeeland en vergeten was de tilapiafilet in de afvalemmer op te ruimen. Of een goudvis die gedurende een drieweekse rondreis in Zuidoost Azië totaal was vergeten.
De overige voordeurdelers, die de bewoner wel konden duiden, moesten het immers ook opvallen, zo niet diens afwezigheid, dan zeker de lucht, die overigens door mij weinig doeltreffend met een geurstokjes op de vensterbank van een klein venstertje in het portaal werd bestreden, en zij kwamen niet tot actie.
Langzaam maar zeker verdween de lucht – of wenden wij eraan, vroegen we ons hardop af - maar aan de andere kant van het trapportaal bleef het stil en het licht 24/7 uit. We waren het bijna vergeten, tot vorige week …
Bij het ophalen van de post uit het vakje naast de voordeur, bleek het postvakje van de betreffende buur bruut opengebroken. Er zat een enorme lading post in, die overigens een paar uur later geheel was verdwenen. Op de voordeur prijkte een nieuw, niet passend, slot en het smoezelige deurmatje in het portaal was verdwenen.
Er was dus wel degelijk iets aan de hand, maar wat, wie en in welke hoedanigheid blijft een raadsel. Vooralsnog antwoorden wij op de vraag wie er naast ons woont: “Niemand”.
Een nieuwe serie verhalen over ja … nieuwe buren. In ons flatgebouw aan de Maas deelden we de voordeur met ruim 100 andere mensen. Dit is weliswaar een stuk minder nu, maar de buurt is levendiger. Bovendien hebben we nu ook overburen, achterburen en winkeliers als buren. Er is dus veel te vertellen. Deze keer: Knallen!
De meeste nieuwe buren hebben we nog niet eens gezien, sommigen hebben we wel gehoord (waarover later meer); de buren waar deze aflevering over gaat zullen we de komende dagen behoorlijk horen. Althans de klanten van deze buren: zij verkopen namelijk vuurwerk.
De gedachte dat er 30 en 31 december genoeg buskruit in de directe omgeving van ons nieuwe huis ligt om ons tot Andre-Kuipers-hoogte af te vuren, moet ik dagelijks sussen met stukken van de vereniging van eigenaars, waaruit blijkt dat de opstalverzekering betaald is.
Toch is die – tikkie overdreven – zorg, niet de reden van dit epos. Ik ben zelf ‘van de marketing’ en lach me elke dag weer een breuk om de verkoopbevorderende middelen die deze buren inzetten ter omzetmaximalisatie.
Los van de spandoeken, van pui tot bomenrij, en de posters in de etalage, steekt de betreffende middenstander prompt om 08.00 uur de straat over om aan de overzijde zijn dik 3 meter grote megavuurpijl in de grond te steken, zodat het langsrijdende autoverkeer zich gewaar is van zijn knalnegotie.
Op erg drukke dagen, zoals de vrijdag en de zaterdag, gaat die vuurpijl ook nog gepaard met banieren (waarop duidelijk VUURWWERK staat, tsja ..) en tussen de straatstenen van het trottoir geprikte wegwijzerpijlen, zodat je niet argeloos de naburige bloemenwinkel instapt voor je knalpakket.
Ik hoop maar dat al die verkoopbevordering het gewenste effect heeft en dat hij totaal uitverkoopt, dan is op Oudejaarsavond de kans dat het Vlaamsch Broodhuys geroosterd brood gaat verkopen het kleinst.
Op 7 april 2009 werd Deniz verrast door zijn, toen al, grote BNN-helden Coen en Sander, die hem opbelden in hun uitzending en hem feliciteerden met zijn verjaardag. Toen al was hij vastberaden om radiomaker te worden, alleen nog wat verlegen. Ik schreef er destijds dit over.
Vannacht noemde diezelfde Coen hem vanuit het Glazen Huis 'collega', want vanaf 1 januari is hij een van de BNN University-talenten. Wat ging die tijd snel!
Er is een historische zin geschreven door Boudewijn de Groot in zijn klassieker: De eenzame fietser: “Als ie maar geen voetballer wordt, ze schoppen ‘m misschien half dood”.
Stel je voor: je hebt een hele lieve zoon, hij wordt al groot nu hij zijn 16e verjaardag heeft gevierd. Groeien zie je hem met de dag en de baard zowel in keel als op kin dienen zich aan. Je lieve zoon is eenvoudig in de opvoeding. Nooit uitgesproken negatief maar ook niet laaiend enthousiast en passies worden uitgesteld tot later. Hij doet gewoon zoals dat heet: z’n ding. Rolt zonder problemen door het middelbaar onderwijs, schrijft zich in op het mbo, trapt op zaterdag een balletje bij de dichtst bijzijnde voetbalvereniging en kijkt op zondag naar TV. Hij gamet best veel, lummelt wat op straat – al of niet met een balletje – met een groepje vrienden, sleutelt wat een zijn 3e hands brommertje . Op vrijdag en zaterdag gaat hij uit. Wat hij dan doet, rookt en drinkt, dat weet je niet, maar dat hoeft ook niet want niets loopt uit de hand. Zo’n zoon …
Niks mis mee, maar …. dan gebeurt het: op een zonnige zaterdag wordt hij tijdens een voetbalwedstrijd flink onderuit gehaald. Onder de noemer ‘sportief en gezond’ breekt hij zijn been op maar liefst 2 plekken. Nog geen 2 uur later ligt hij in het ziekenhuis, waar hij zich wekenlang amuseert met chatten en gamen op de – troostbiedende - pas aangekochte laptop. Eenmaal thuis zijn dagelijks (voetbal)vrienden over de vloer en vergroeit hij tot een geheel: jongen, gips en de laptop. School, het maken van projecten of leren van lesstof: het zit er maandenlang niet in.
In Nederland noemen we dit pech. Zo’n jongen ervaart begrip, compassie en tolerantie; hij heeft het immers al moeilijk genoeg met die lelijke beenbreuk. Er is geen discussie over cijfers en absentie laat staan een retoriek over leren en plichten. Terecht.
Stel je nu een andere jongen van 16 eens voor: mijn lieve zoon van 16. Hij is al vanaf groep 8 basisschool elke dag druk in de weer om zijn talenten te ontwikkelen als radiomaker, presentator, columnist en ondernemer. Hij sport niet (maar is ook niet ongezond dik), hij doet wegens chronisch tijdgebrek nooit het huiswerk en slaagt (toch) met glans en hoge cijfers voor zijn voortgezet onderwijsdiploma.
Hij is een einzelganger, een ondernemer die het liefst zijn eigen gang gaat. Hij heeft focus, is creatief en hongerig. Hij gamet en comazuipt nooit, rookt niet, gaat wel eens uit, maar niet eerder dan dat al het werk voor de krant, zijn radioprogramma of de videoproductie voor een klant, af is. Hij bezoekt het liefst muziekevenementen om eens even lekker los te gaan, met vrienden uiteraard. Want hij heeft wel vrienden maar die wonen niet vanzelfsprekend om de hoek. Soms werkt hij aaneengesloten dag en nacht en dat snappen ook veel leeftijdsgenoten niet die liever in de avonduren op de bank TV kijken of gamen.
En dan gebeurt het: hij valt op, krijgt steeds vaker mooie aanbiedingen, mag auditeren als radiomaker, wordt gevraagd als ambassadeur en steeds vaker verschijnen zijn columns in steeds meer bladen. Daarnaast – en misschien wel door zijn bijzondere talenten – loopt het eigen videoproductiebedrijf ook op rolletjes.
Steeds vaker passen alle mooie aanbiedingen die op zijn pad komen niet meer in de vrije uren van het schoolrooster. Huiswerk past allang niet meer in de planning, waarin radiomaken, schrijven, filmen en gefilmd worden, domineren. Iedereen om hem heen weet: deze jongen komt er wel. Vlieguren, die heeft ie nog wel nodig. Of zoals hij het zelf schrijft:
In de mediawereld heb je vooral veel passie nodig, maar ook connecties en tijd. Passie om te laten zien hoe graag je wilt, connecties om daaraan je passie te laten zien en tijd om (vrijwillig) te laten zien dat je het waard bent.
Maar daardoor mist hij wel eens een paar uurtjes of een dagje op school. Diezelfde school overigens waar die zoon met beenbreuk op zit … Door veel soms (te veel) vlieguren te maken en daardoor oververmoeid te raken mist mijn zoon ook wel eens een weekje school. En die (veel kortere) absenties blijken gek genoeg wel een groot probleem.
De docenten klagen, misgunnen hem openlijk zijn succes, kleineren hem tepas en ontepas in de klas (anders krijgt ie maar praatjes) en de schooldirecteur mailt zich suf tussen het ‘bespiedend’ volgen van alle twitterberichten door.
Niemand op school die spreekt over: begrip, tolerantie, vrijstelling, geen seconde wordt er gekeken of er wellicht sprake kan zijn van dispensatie zoals op diverse ROC’s wanneer de leerling een voetbaltalent blijkt te zijn….
Daarom verzucht ik wel eens, in tegenstelling tot Boudewijn de Groot:, Was ie nou maar wel voetballer … in plaats van excellerend in taal en communicatie …
Donker is het als ik het huis verlaat om me te spoeden naar het werk; donker is het ook als ik na gedane arbeid weer huiswaarts keer. De donkere dagen voor Kerstmis; we zitten er midden in. Al moet eerst natuurlijk nog de man met de baard en tabberd de extra lange donkere avonden benutten om alle kinderen van schoencadeaus te voorzien. Het daagt me nu ik dit schrijf pas, waarom dit feest in deze tijd van het jaar wordt gevierd. Op een warme zomeravond waarop de horizon rozig verlicht blijft tot na elf uur, werkt zo’n mythe natuurlijk niet.
Veel mensen maken én vinden het gezellig. Diep in mijn hart, vind ik dat ook wel, alleen …. ik zie niets wat geen licht geeft. Dat heet nachtblind en dat heeft ongemakken.
De ongemakken van nachtblind spitsen zich vooral toe op deelname in het verkeer. Een argeloze student in modieus zwart op een fiets zonder verlichting is voor mij pas zichtbaar als de lichtbundels van mijn koplampen de fietsspaken raken. De ooit als ‘nou ja ze zitten erop, maar waarvoor weet ik ook niet’ bermstralers behoeden me voor het continu raken van stoepranden én vluchtheuvels. Het moge duidelijk zijn: autorijden is tussen vijf uur ’s middags en negen uur ’s ochtends in de winter voor mij lastig, maar fietsen volstrekt uit den boze. Een bumperdeukje doet immers minder pijn dan een flinke val.
Ik realiseer me dat ik tijdens mijn autorijlessen, meer dan dertig jaar geleden, bij het commando van de rijinstructeur ‘hier links af’, daadwerkelijk ter stond links af ging en in de met bodembedekkers beplante middenberm belandde omdat ik het toen óók al niet zag, want nachtblindheid is aangeboren. Althans: de variant die ik heb dan …
Dus even voor alle klas- en reisgenoten die door de jaren heen getuige zijn geweest van mijn verzwikte enkel na een val in de greppel, mijn gehechte voorhoofd na pijnlijke confrontatie met een tak en mijn bloedneus na een frontale botsing met een muur: ik zag deze obstakels tijdens de nachtelijke wandelingen écht niet. Ik zag ook in Tunesië die kameel niet, die achter de duinen lag te slapen, terwijl ik (toegegeven) dronken van te veel wijn tijdens de nachtelijke barbecue op het strand, even discreet een plasje wilde doen. En dat dus bovenop zijn kop deed …
En zo heeft nachtblindheid ook een groot voordeel: alles na zonsondergang heeft de potentie een hilarische anekdote te worden.
Wilma van Raamsdonk: Een schrijvende reiziger, een reizende schrijver, maar nu nog even niet ...
Laatste reacties